|
[left.htm]
| |
- Christiaan Frederik Beumer
-
- Liefde
- Die ik het meest heb liefgehad,-
- t Was niet de slanke bruid, met wie 'k in 't zoeter leven
- Mocht dwalen op het duin en droomen in de dreven,
- Wier hand mij leidde op 't rozenpad;
-
- 't Was niet de jonge en teedre vrouw,
- Die, goede genius, mijn hart, mijn huis bewaakte,
- Die mij het leven, ach, zoo licht en lieflijk maakte,
- Met al den rijkdom harer trouw.
-
- Zoo was ' t de moeder van uw kroost,
- die u, gelukkige, voor 't offer veler smarte,
- Deed smaken, onvermengd, het reinst geluk van 't harte
- Des levens liefelijksten troost?
-
- Neen! - die ik 't meest heb liefgehad,
- Dat was mijn kranke; 't was de moede, de uitgeteerde,
- Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde,
- Toen 'k weenend aan haar sponde zat.
-
- Een gedicht van iemand, die in zijn jonge leven heel wat meegemaakt heeft: P.A. de
Génestet (1829 - 1861).
-
- Hij behoorde tot de groep van humoristische dichters medio 19de eeuw, maar was zijn
leven zo humoristisch? Eerst verloor hij zijn vrouw en één van zijn kinderen en kort
daarna moest hij zijn betrekking als remonstrants predikant te Delft neerleggen. Ik noem
hem, omdat hij woonachtig was in Rozendaal, maar ook, omdat na hem een groep van
schrijvers kwam, die de predikanten werden genoemd en uiteindelijk was hij ook een van
hen.
-
- Hoe komt het, dat zoveel predikanten schrijver, c.q. dichter zijn geworden?
- Eigenlijk niet zo verwonderlijk.
- Als student verkeerden ze in kringen van literatuurliefhebbers en als predikant moesten
ze hun preken in een vorm gieten die literair te verantwoorden was. Zo kregen ze vanzelf
technische vaardigheid. Aan de andere kant werd hun werk graag gelezen, want de
Nederlander voelt sterk ethisch en is ook vol belangstelling voor godsdienstige- en
theologische vraagstukken. Van de predikanten noem ik Bernard ter Haar (1806 - 1889) en
J.J. ten Kate (1819 - 1889).
-
- Grafbezoek (Bernard ter Haar)
- Wees gegroet, Heilge grafsteê aan mijn voet!
- Die mij wijst, en strekt ten bode,
- Waar mijn stof eens sluim'ren moet;
- Waar uw stof rust Lieve Doode!
- Om wier dood mij 't harte bloedt.
- 'k Druk uw grafzerk met de voet,
- Dierbre Gade, wees gegroet!
-
- Nu is het niet mijn bedoeling hier het gehele gedicht, 9 coupletten, neer te schrijven,
maar u wel een idee te geven van de tijd, waarin men toen leefde: de Romantiek. De
schrijver, dichter, de schilder en de componist uitten hun gevoelens in hun werk. Denk
maar eens aan de prachtige muziek die Tsjaikovski ons heeft nagelaten.
- Kunt u zich nu voorstellen, dat er in onze gemeente Rheden een man heeft geleefd, die,
behalve bij familieleden, volstrekt onbekend is gebleven. Ik vind het tijd, daar nu eens
verandering in te brengen en u begrijpt, dat bovenstaande slechts een inleiding is geweest
voor dat wat nu volgt:
-
- Op 2 december 1824 deed Christiaan Beumer aangifte van de geboorte van een zoon, genaamd
Christiaan Frederik. Zijn vader, toen acht en veertig jaar oud, was daghuurder van beroep,
woonachtig in De Steeg en getrouwd met Catharina Margarita Schutte, oud veertig jaren.
- Christiaan Frederik was niet hun enig kind, want 7 broertjes en zusjes waren hem
voorgegaan en één zou nog volgen.
- Van Christiaan is jammer genoeg niet veel bekend. Uit de archieven weten wij, dat hij
schrijver was bij de gemeente en uit zijn eigen geschriften blijkt, dat hij in dienst was
als huisknecht bij welgestelde mensen. De naam van de familie van Arnhem wordt in zijn
werk genoemd, maar ook die van de van Pallandts in Rozendaal.
- Waarom nu de belangstelling voor deze onbekende Rhedenaar?
- Nu, iemand, die honderden gedichten, ingebonden en wel heeft nagelaten verdient toch wel
enige belangstelling.
- Zijn gedichten en verhalen hadden een grotendeels Christelijke inslag en tussen zijn
gedichten door vinden we zomaar een gedicht van Bilderdijk, van Staring en Sluyter (1627 -
1673).
- Christiaan was een belezen mens, wat blijkt uit de aanhaling van verscheidene dichters
uit zijn tijd, maar dat niet alleen; ook zijn kennis van onze vaderlandse historie was
bijzonder groot. De tijd tussen de inval der Spanjaarden tot de vrede in 1648 wordt in
dichtvorm uitvoerig beschreven. Zijn gedichten schreef hij uit liefhebberij, maar ook in
opdracht, getuige zijn St.Nicolaasgedichten en gedichten welke betrekking hadden op een
begrafenis, maar ook verjaardagsgedichten komen regelmatig voor.
- Hoe kwam Christiaan aan de belangstelling voor het neerschrijven van dat, wat hem
beroerde. Ik laat hem zelf aan het woord:
- Op zekeren schoonen dag ( het doet er weinig toe welke), maar in de maand april en in
het jaar 1846, volgde een zeer schoone avond. Het was zulk een avond, waarvan men met rede
zegt: 't Is zonde om thuis te blijven. En daarom ging ik naar buiten en ik had er geen
rouw van, want het weder was heerlijk, zoodat ik zeggen mogt: ik genoot. Ik liep te
denken en mijmeren en prees God, hoe gebrekkig dan ook, in mijn hart.
- Diezelfde avond, of een dag later gevoelde ik, dat het gevoel van dat heerlijke al weder
zoo zachtjes aan mij begon te minderen en wel, haast gelijk zoovele betere indrukken,
geheel zouden zijn verdwenen. Dat vond ik jammer en ijlings greep ik naar de pen om,
zooveel er nog van te behouden, wat op het papier te brengen en zodoende de herinnering
aan het genotene te bewaren.
- Dat beviel mij bij uitstek goed, want nu genoot ik nog weder opnieuw, wat ik al eens
genoten had. Dat wilde ik weer doen en....ziedaar de eerste oorzaak of aanleiding van
mijne liefhebberij om gedachten en gewaarwoordingen op te schrijven en te
bewaren.
-
-
-
- Midde(l)stand
- Niet rijk en niet te arm,
- Niet te koud en niet te warm,
- Niet te groot en niet te klein,
- Niets van dit wil ik graag zijn.
- Is men rijk en heeft men geld,
- God noch mens wordt meegeteld,
- Geld maakt trots, ja het is waar,
- Geld brengt deugden in gevaar.
- Arm te zijn is ook niet goed
- wijl men dan licht 't kwade doet,
- Armoed drukt de ziel soms neer,
- houdt ons dom en wat dies meer.
- Zalig zijt gij middelstand!
- Is mij slechts zooveel verpand,
- Dat ik als een eerlijk man,
- God en menschen dienen kan!
- Dat ik van zware zorg ontdaan,
- Pligt vervuld tot Hem kan gaan,
- Wat 'k behoef den naasten dag,
- Kan het, heden hebben mag. 12 mei
1847
-
-
- Van dat ogenblik af heb ik (want ik had destijds ledige uren genoeg, wijl ik in mijne
betrekking van huisknecht slechts éénen heer te dienen had) gedurig den ledigen tijd
onledig gemaakt.
- Mijn liefste werk was rijmen en al ging het er dan ook wat hortend en stootend overheen,
ik was aanvankelijk met een beetje te vreden.
- Na verloop van enige jaren was de voorraad van dicht, of liever rijm- en prozastukken
aanmerkelijk aangegroeid, 121 stuks en besloot ik om ze allen in een bundel over te
schrijven, waarbij eene menigte werd waardig gekeurd.
-
- Tot zover Christiaan Frederik Beumer, waarvan de stijl van praten mij een beetje doet
denken aan de Camera Obscura. In 1859 verscheen er een tweede herziening met 89
gelegenheids- en minnedichten. Tussen beide bundels verschenen verhalen al dan niet in
dichtvorm geschreven.
- Omdat Christiaan een Rhedenaar was, hier woonde en daarom heel wat mensen kende, komen
in zijn gedichten bekende Rhedenaren voor, waard om geschiedkundig vast te leggen.
-
- Nu een gedeelte uit een gedicht van 22 versen:
-
- Groete aan den Heer D.B v. Snoekeveld,
- onderwijzer te Rheden bij het vieren van zijn vijftig jarig feest als dusdanig.
-
- Wat hoog genot voot hem die hier als jongeling zaaide,
- Als man die vruchten zag, die 't zaad had voortgebragt,
- Als grijsaard nog die vruchten maaide,
- In zonnegloed gestoofd, vol frischheid, geur en kracht.
-
- Wie kent uw ijver niet, uw zucht voor deugd en pligt,
- Voor vijftig jaren mogt g=een reisje aan de aard verschouwen,
- En nu, gelukkig man, nu juicht ge bij 't aanschouwen
- Een boom die wijd en zijd zijn takken henes rigt.
-
- Een halve eeuw! Kan 't mooglijk zijn?
- En thans zo helder nog van brein
- Zelfs nog den schedel niet gebogen!
- Gewis, hier heeft de Heer gemaakt,
- Hier heeft God u een feest gemaakt,
- Dat ach, zoo weinigen vieren mogen. 12 december
1859
-
- Een kindsbedankje aan deszelfs Meester
-
- Goede Meester! Nu 'k vervolgens,
- Niet meer zal ter schole gaan,
- Bied ik u kinderlijk en nedrig
- Maar opregt mijn dank u aan.
- 'k Kan nu lezen, 'k kan nu schrijven,
- En nog zoo veel dingen meer,
- Die mij nu en als ik groot ben,
- kunnen zijn tot vreugd en eer.
-
- 'k Heb dat al aan u te danken,
- Aan uw moeite, aan uw vlijt
- Want Gij hebt daartoe gestadig,
- Uwe beste zorg gewijd.
- Dank dus voor uw moeiteen zorgen,
- Die Gij hebt aan mij besteed,
- Dank voor straf ook en 't vermanen,
- Als ik mijne plicht niet deed.
- 'k Vraag voor iedere keer vergeving,
- Als ik m' aan de school onttrok;
- Goed Meester, wil die schenken
- Aan die u bedankt, Grietje Kok.
- Vervaardigd voor mijn nichtje Grietje Kok. mei 1853
-
- Wat een hoeveelheid aan gedichten heeft Christiaan ons nagelaten. Of ze van dichterlijke
schoonheid zijn, inhoud hebben en of ze voldoen aan dat wat de dichtkunst van een dichter
vraagt moeten we maar in het midden laten. Wel getuigen ze van een liefde voor de natuur,
voor de ander, voor zijn familie, voor zijn geliefde en voor alles waar Christiaan maar
oog voor had.
-
- Ziet u ook wel eens de namen, gekerft in bomen of geschreven op muren en schuttingen?
- Op de koepel bij Rhederoord gebeurde dat ook en Christiaan vond het maar niks.
-
- 'k Kwam hier en zag eens rond
- Naar al die ijdle namen,
- Naar sprookjes, rijmlarij
- en wat ik verde vond.
- 'k Dacht, dwazen, allen zij
- Die tot deez zotheid kwamen.
- Ik pas op u(en vraag niet of ik mag)
- Het puntig hekeldicht, dat ik eens elders zag:
- Hier schreven zotten hunne namen,
- Opdat hun nietigheid ontsterflijk zij;
- En zotten die na dezen kwamen,
- Die plaatsten daar hun namen bij.
-
- of
-
- Waarschuwing betreffende een broeiende kip
- Zijt wat voorzichtig! in dees hoek,
- Zit een zwarte, kwade kloek,
- en broeit.
- Past op dus! En, ik raad U 't best,
- Dat gij niet door uw lompheid 't nest,
- verknoeit.
- Want waarlijk, die verstoort dit hoen,
- Kan nimmer bij mij goed meer doen. 25 juni 1848
-
- Al lezende geniet ik van zijn prachtige gedichten. Wat ging er veel in deze jongeman om,
want we moeten niet vergeten, dat hij rond de 24 jaar was, toen hij bovenstaand gedicht
neerschreef.
- 22 September 1852 schrijft hij een gedicht bij het beroep van de Rhedense dominee J.F.W.
Köningsfeldt naar Elspeet en 2 jaar later van enige dankbetuigingen voor genoten
onderwijs aan den Heer Predikant van 't Sandt te Velp
- Wanneer er nu eens geen radio en t.v. was, hoeveel mensen zouden dan niet hun gevoelens
in prachtige gedichten en verhalen weergeven. Nee, onze Christiaan dient gekoesterd te
worden en het is jammer, dat ik niet zijn hele oeuvre hier voor u neer kan schrijven.
- Hoewel we al weer bijna aan 't einde van het jaar zijn, wil ik mijn studie over
Christiaan Frederik Beumer beëindigen met een nieuwjaarsgroet, opgedragen aan den
HoogWeledel Geboren Heer en Vrouwe baron en baronnesse van Pallandt van Rosendael, de
Weledele Heer Kets en verdere ingezetenen van Rosendaal.
- ( op verzoek vervaardigd voor de Rosendaalsche AKlepperlieden
-
- Weer dreunt van wijd en zijd 't geknal
- Der vreugde om ons henen:
- Weer wordt er menig schot gedaan
- Omdat we een nieuw jaar binnengaan
- en 't oude is verdwenen.
-
- En daarbij komt van heinde en ver
- Een menschenstroom u tegen
- Ja, allen wie gij ziet of hoort,
- Zij brengen niets dan menschen voort
- Van heil, geluk en zegen.
-
- En zouden wij, wij klepperlui
- Dan onze plicht verzaken?
- Wel, zouden wij, die 't gansche jaar,
- Zoowel bij nacht als dag staan klaar
- Op d=eersten dag niet waken?
-
- Gewis, wij zijn altijd present,
- En staan ook nu niet achter.
- Bij zoet en zuur, bij lief en leed,
- Hebt g=in elk onzer, zoo gij weet,
- Steeds een getrouwe wachter.
-
- En nu, ter zaak! Zoo is dan weer
- Geheel een jaar vervlogen.
- Ging menig ons ten grave voor,
- Gelukkig wij, die 't nieuwe door
- Gods gunst aanschouwen mogen.
-
- Het oude jaar heeft van Gods trouw
- En zorge ruim doen blijken,
- Want, schoon Hij ons zondt zuur en zoet
- Deedt Hij toch meen'gen tegenspoed
- Goedgunstig van ons wijken.
-
- En, wat viel ons geen vreugd ten deel,
- In 't jaar dat is verslonden!
- Of, was het ons geen blijde maar,
- Het huwlijk van dat Hooge Paar
- Korts in den echt verbonden!
-
- Dat God met die verbindtnis zij
- Is onze mensch een bede.
- Ja, zij het jeugdig paar bereid
- Een Eden op hun Heerlijkheid,
- Waar liefde woont en vrede.
-
- Dien Zegen valt ook ruim ten deel
- U Heeren en Mevrouwen!
- U Rentenier en Fabrijkant!
- En U, o Steunpilaars van 't land!
- Bebouwers der landouwen!
-
- Ja allen zij dit nieuwe jaar
- Een jaar van heil en Zegen!
- Een ieder blijv' voor ramp behoed,
- Ver, ver zij elken tegenspoed
- Koom' u slechts welvaart tegen!
-
- En nu, verschoon het nedrig vers
- Dat wij bij deze U bieden.
- Eenvoudig is het, dat is waar,
- Doch 't komt van (dit is niet minder waar)
- Opregtste Klepperlieden. 1855
-
-
- Hans Rijnbende
- Bron:
- Bundel gedichten en verhalen 1846 - 1862, 815 pagina's van Christiaan Frederik Beumer,
eigendom van Mevr. M. Hagen- Eckert te Rheden.
- Spiegel van de Nederlandsche Poëzie door alle eeuwen, Victor. E. Van Vriesland 1939
- Dichterschap en werkelijkheid, W.L.M.E. van Leeuwen, 1934
Misschien toch ook wel interessant u iets te vertellen over
een dichter die in dezelfde tijd leefde als onze Christiaan
Hendrik Tollens
Hij werd geboren uit
Gentse
ouders van zeer bescheiden stand, was reeds vroeg te
Amsterdam in de Niezel op het kantoor bij een oom, die in
verfstoffen deed en die met deze neef "altijd op rijm sprak". De
laatste ging voor een jaar naar de roomse kostschool te
Elten
en was in
1795
weer thuis. Hij werd dichter voor de
patriotten, secretaris in een van hun clubs en werkte voor
het toneel, waartoe familieleden, die met muziek, zang en
schouwburg in betrekking stonden, aanleiding gaven. Hij huwde
met Gerbranda Cath. Rivier te
Souburg (tegen de wil van zijn vader in), waar de
clandestiene bruidegom en bruid zich als Amsterdamse jongelui
voordeden.
Van die tijd is de dichter altijd een werkzaam koopman in
verfstoffen geweest; een paar keer per jaar bereisde hij zijn
klanten, tot in
Zeeland, klom tot groot aanzien in de letterkundige wereld,
ontving welverdiende hoge onderscheidingen en was, vooral sedert
1830,
Nederlands volksdichter. In
1846
ging hij persoonlijk uit zijn zaak, vestigde zich op Ottoburg te
Rijswijk, bracht zijn rusttijd in ijverige letteroefeningen
door en overleed er, met de pen in de hand, op
21 oktober
1856.
Reeds lang daarvoor had hij zich bij de
Remonstrantse Broederschap gevoegd. Men wijdde hem een
standbeeld te
Rotterdam en een monument op zijn graf te
Rijswijk.
In november 2006 verscheen ter gelegenheid van Tollens' 150e
sterfdag een boek "Hendrik Tollens Cz.", waarin zijn opgenomen
een literair portret en een bloemlezing uit zijn werk door prof.
Marita Mathijsen, en een biografisch artikel door Ruud Poortier,
waarin hij vooral de Rijswijkse jaren (1846-1856) belicht. Het
boek is te koop bij het Museum Rijswijk.

Tijdens zijn leven werd Tollens gezien als de
grootste Nederlandse dichter van zijn tijd. Zijn
poëzie prees de zegeningen van het huiselijk
leven en riep op tot trouw aan God en het
Vaderland. Zijn nationalistische
Wien Neerlands bloed werd zelfs tot het
Nederlandse volkslied uitgeroepen. Voor de
Tachtigers was hij een frequent voorbeeld
van spot. Deze groep jonge dichters hekelden
zijn conventionele wereldvisie maar vooral zijn
retorische, bombastische taalgebruik. In
Grassprietjes (1885; een parodie op de
toen populaire domineespoëzie) verscheen een
"lofzang", helemaal in de stijl van Tollens, op
de gevierde dichter, die volgens de auteur in
zijn oorspronkelijke vorm 1200 verzen telde en
waarvan het vervolg wellicht in volgende
dichtbundels gepubliceerd zou worden. De kritiek
van de Tachtigers leidde er binnen enkele jaren
toe dat Tollens zijn roem volledig was
kwijtgeraakt. Zijn werken werden niet meer
gedrukt en in schoolboeken over Nederlandse
literatuur werd doorgaans buitengewoon negatief
over hem geschreven.
Tegen het einde van de twintigste eeuw nam de
belangstelling voor Tollens weer wat toe. Men
zag in dat het werk van de bij leven populaire
dichter veel cultuurhistorisch belang had: het
was essentieel om een beeld te krijgen van het
Nederland in de negentiende eeuw. Navenant
schrijven encyclopedische werken en schoolboeken
tegenwoordig minder polemisch over zijn werk dan
voorheen.

Zijn vader was de dichter
Jan Campert, auteur van het beroemde gedicht
Het lied der achttien doden. Zijn moeder was actrice
Joeki Broedelet, onder andere bekend van de gastrollen die
ze op latere leeftijd speelde bij
Van Kooten en De Bie. Zij gaan uit elkaar als Campert 3 jaar
is, waarna hij afwisselend bij een van hen en bij zijn
grootouders woont tot hij in
1942
wordt ondergebracht bij een pleeggezin. Wanneer de wijk waarin
ze wonen door de Duitsers wordt afgebroken, vertrekt het gezin
naar Epe,
waar Campert de
Mulo bezoekt. Het is ook in Epe, waar hij in
1943
hoort dat zijn vader op 42-jarige leeftijd in het
concentratiekamp
Neuengamme is overleden. Na de oorlog gaat hij met zijn
moeder in
Amsterdam wonen en volgt daar het
gymnasium aan het
Amsterdams Lyceum. Hij verlaat de school voortijdig, nadat
hij het besluit heeft genomen schrijver te worden. In
1949
trouwt hij met
Freddie Rutgers. Ze wonen enige tijd in
Parijs. Terug in Nederland gaat
Freddie Rutgers in 1954 samenwonen met
Gerrit Kouwenaar. Campert trouwt met
Fritzi ten Harmsen van der Beek. Hun woning in Blaricum
wordt een ontmoetingsplek voor schrijvers en dichters.
In 1957 gaat het tweetal uit elkaar en Campert keert terug
naar Amsterdam. Nadat hij in 1960 met
Lucia van de Berg zijn eerste kind, dochter
Emanuela krijgt, trouwt hij in 1961 met haar en krijgt in
1963 zijn tweede kind, dochter
Cleo Campert. In 1964 verhuizen ze naar Antwerpen, waaruit
hij in 1966 alleen terugkeert. Hier leert hij galeriehoudster
Deborah Wolf kennen, met wie hij tot 1980 samenleeft. Dan
scheiden hun wegen maar later komen zij weer samen en treden in
1996 in het huwelijk.
[1].
Remco is dus de zoon van Jan Campert, de man van de "18
doden". IOm Rijnbende's b;lijmoedig maandblad schrijft Jan het volgende gedicht:


|