Biografie
Jean Henri Dunant werd geboren op 8 mei 1828 in Genève, later zou hij zijn naam veranderen van Henri naar Henry, omdat dit in het Engels makkelijker was om uit te spreken. Hij was een Zwitserse zakenman en een sociale activist. Tijdens een zakenreis in 1859 was hij getuige van een veldslag tussen de Oostenrijkers en de Fransen. De Slag om Solferino beschreef hij later in een boek waarin hij pleitte voor een gezondheidsinstituut dat geen grenzen kende. Later is hem de Nobelprijs voor de vrede toegekend. Dunant was de oprichter van het Rode Kruis.
Dunant was de eerste zoon van een Geneefse zakenman. Zijn hele familie was streng calvinistisch en had een sterke invloed in Gèneve. Zijn ouders streden voor het behoud van sociale werkers en waren er fel op tegen toen de gemeente probeerde deze mensen minder te betalen. Zijn vader hielp de wezen en de zieken terwijl zijn moeder de gewonden en de armen verzorgde. Dit verklaart waarschijnlijk waarom Dunant later in zijn leven een weldoener is geworden. Hij is er namelijk al mee opgegroeid. Henri groeide op gedurende de periode waarin het geloof een steeds minder belangrijke rol speelde. Hij richtte toen hij negentien jaar was, de zogenaamde Donderdag Vereniging op. Dit was een gezellige club die veel sociaal werk deed, de Bijbel bestudeerde, en daarom verbleef Dunant veel bij mensen die hem nodig hadden en die het niet zo goed hadden als hij.
Hoe goed het werk was dat hij deed voor de arme mensen, zo slecht was het werk dat hij op school afleverde. Toen hij vierentwintig was, moest hij het Collège Calvin verlaten vanwege slechte cijfers. Hierna begon hij te werken voor de wisselbank Lullin und Sautter. Nadat hij een aantal goede zaken voor de bank had gedaan, werd hij aangenomen en bleef hij er werken.
In 1853 besloot Dunant om noordelijk Afrika te bezoeken om te kijken of hij hier zaken kon doen. Na deze reis besloot hij zijn eerste boek te schrijven Notice sur la Régence de Tunis over zijn ervaringen als accountant bij het bestuur van Tunis.
Naar aanleiding van deze reis richtte hij een bedrijf op dat zaken deed met kolonies, en nadat hij een stuk land kreeg aangewezen in Algerije, richtte hij een graanhandel bedrijf op genaamd Société financière et industrielle des Moulins des Mons-Djémila wat in het Nederlands het best vertaald kan worden als Financiële en industriële vereniging van Mons-Djémila molens. De land- en waterrechten waren niet goed op papier vastgelegd en de lokale autoriteiten waren ook niet zo behulpzaam. Daarom verliet hij Algerije en besloot hij om de Franse keizer Napoleon III te helpen, die omstreeks die tijd met zijn leger in Lombardije verbleef. Frankrijk vocht aan de zijde van de Italianen tegen de Oostenrijkers, die destijds veel van het hedendaagse Italië in handen hadden. Napoleons hoofdkwartier was gevestigd in het Italiaans plaatsje genaamd Solferino. Dunant schreef eerst een lovend boek over Napoleon III, met de intentie om het persoonlijke aan hem te geven. Nadat hij dit boek af had, besloot hij om zelf naar Solferino te gaan en de keizer persoonlijk te ontmoeten.
De slag om Solferino
Hij arriveerde in Solferino in de avond van 24 juni [1859], precies de dag dat er een veldslag had plaatsgevonden. Het resultaat ervan was verschrikkelijk. Meer dan 38.000 mannen lagen gewond, stervend of dood op het veld, terwijl er maar weinig medische verzorging was. Henri was hierdoor zo geshockeerd dat hij zelf het initiatief nam en de bevolking opriep, speciaal de vrouwen, om snel hulp te verlenen aan de gewonden en de zieken. Dit werkte, maar er waren te weinig materialen en Dunant kocht zelf alle materialen die nodig waren om kleine ziekenhuizen op te richten. Hij riep de bevolking vooral op om beide zijden te helpen, dus zowel de Oostenrijkers als de Fransen. Hij deed dit alles met de uitspraak Tutti fratelli of in het Nederlands Wij zijn allen broeders. De bevolking luisterde naar Dunant en hielp de soldaten, zonder zich druk te maken of het vijanden of vrienden waren. Daarnaast slaagde Dunant erin om Oostenrijkse dokters vrij te krijgen die in gevangenschap genomen waren door de Fransen. Deze konden hem van professionele hulp voorzien, waarna de aantallen slachtoffers snel minder werden.
Het Rode Kruis
Nadat hij wegging uit Solferino, en terugkeerde naar Genève, besloot hij een boek te schrijven over zijn ervaringen in Solferino. Dit boek, genaamd Un Souvenir de Solferino, werd gepubliceerd in 1862 op Dunant's eigen kosten. In het boek beschreef hij zijn ervaringen van de veldslag en de omstandigheden daarna. Hij beschreef ook het idee om in de toekomst een neutrale organisatie op te richten, die de gewonden verzorgde als er oorlog plaats vond. Hij verspreidde het boek vooral onder leidende politieke en militaire mensen in Europa. In de hoop dat zij het met hem eens zouden zijn.
Hierna begon hij door Europa te reizen om zijn ideeën te promoten. Zijn boek werd meestal positief ontvangen en de president van de Geneveese vereniging voor socialiteit en welvaart, maakte het boek, en de suggesties die daarin stonden, hét thema op de bijeenkomst van de organisatie in 1863. Dunant's suggesties werden zeer positief ontvangen door de leden. Daarom richtten zij een vijfkoppig comité op, waarvan Dunant een van de leden van was, en zij zorgden ervoor dat zijn ideeën uitgevoerd konden worden. De anderen in het comité waren Gustave Moynier, generaal Henri Dufour, Louis Appia en Théodore Maunoir, die beiden dokter waren. De eerste bijeenkomst was op 17 februari 1863, dat nu wordt gezien als de datum waarop het Rode Kruis is opgericht. De naam en het embleem werden afgeleid van de Zwitserse vlag. Deze vlag, een rode achtergrond met een wit kruis, had Dunant omgedraaid om er het Rode Kruis van te maken. Dit omdat Zwitserland, net als het Rode Kruis, altijd al neutraal was geweest in internationale conflicten.
Vanaf begin af aan, hadden Moynier en Dunant conflicten over verschillende zaken. Dunant wou bijvoorbeeld dat hulpverleners altijd neutraal waren en het liefst niet afkomstig uit een van de landen kwamen die meededen aan de oorlog. Moynier was hierop tegen, omdat hij dacht dat er anders nooit genoeg mensen beschikbaar waren. Dunant echter luisterde niet naar deze argumenten en zette zijn ideeën door. Moynier begon hierna een directe aanval op Dunant door ervoor te zorgen dat hij het leiderschap van het comité kreeg. Dunant gaf hierop een deel van zijn macht op en stond nu op gelijke voet met de andere leden van het comité, waarmee de ruzie was opgelost.
In oktober 1863 namen veertien landen deel aan een bijeenkomst in Genève, die georganiseerd was door het comité. Hier praatten zij over de verzorging van gewonde soldaten en hoe deze verbeterd kon worden. Een jaar later, op een diplomatieke conferentie die georganiseerd was door het Zwitserse parlement, werd de eerste zogenaamde Conventie van Genève getekend door twaalf staten.









