|
[top.htm] |
|
[left.htm] |
HET ZENDINGSFEEST TE MIDDACHTEN
George de Bruin was de zoon van de tuinbaas op Middachten. Hij groeide daar als kind op en maakte het wel en wee van de bewoners en allen, die er in dienst waren, mee. Op latere leeftijd ging hij zijn belevenissen opschrijven en maakte daarbij vele prachtige tekeningen. Als achtjarig kind maakte hij de Zendingsfeesten op Middachten mee en we laten hem dan ook hier aan het woord.
In het jaar 1912 kon men aan alle stations der Nederlandsche Spoorwegen lezen: "Bezoekt het groot Nationaal Zendingsfeest in het Middachter bos. Extra treinen rijden op Donderdag 7 juni. Vraagt inlichtingen aan de loketten!" Nog niet zo lang geleden zijn de lange perrons aan beide zijden van de spoorbaan, ter hoogte van de oprijlaan van het kasteel Middachten, gesloopt. Dat waren de laatste herinneringen uit de dagen van het zendingsfeest in het Middachter bos. In 1912 was de Middachter Allee, het Middachter bos en de Middachter tuin iets dat je gezien moest hebben, zoals nu bijvoorbeeld de Keukenhof. Het zal dan ook wel daarom geweest zijn dat men voor het zendingsfeest deze plaats gekozen had. Tot zover George. E.O-dagen trekken tegenwoordig duizenden jongeren om met elkaar te zingen, elkaar te ontmoeten en Hem daarboven te loven en te prijzen. Maar reeds rond 1860 kwam in Nederland het organiseren van "Zendingsfeesten" in zwang. Vele "zendingsvrienden" stroomden daarheen samen om een dag te beleven van onderlinge verbondenheid in liefde tot en actie voor de verschillende genootschappen van "uit- en inwendige zending", zoals dat toen heette. Men hoorde er spreken over de roeping van de christen tot evangeliserende arbeid in de wereld, dichtbij en veraf; men werd er geïformeerd over de voortgang van het werk en in nieuwe geestdrift gebracht. Het was een blij en op een verheven doel gericht christelijk samenzijn, waarbij kerkelijke grenzen voor een keertje niet meer golden. Bovendien een heerlijke dag uit in de vrije natuur. De Hernhutter-broeders en zusters in Zeist waren met deze zendingsdagen vooraan gegaan, maar daar kon men weldra de toestromende menigte niet meer herbergen. Zodoende werd er een nieuw comité opgericht voor wat aanvankelijk genoemd werd het " Algemeen Evangelisch Nationaal Zendingsfeest", welke naam in 1874 werd gewijzigd in " Christelijk Nationaal Zendingsfeest". De eerste voorzitter was de bekende voorman van de inwendige zending Ds. Heldring. Voor het vinden van geschikte terreinen was men aangewezen op de landgoederen van adellijke families. Zo werd het eerste Zendingsfeest gehouden in 1863 op het landgoed van Baronesse van Brakell Doorwerth te Wolfheze. In 1868 werd het Zendingsfeest voor het eerst in het bos van Middachten gevierd en daarna nog 16 keer, tot en met 1937, zou het op Middachten gehouden worden. Hoewel er vele fraaie landgoederen waren, lag Middachten het organiserend comité na aan het hart. Telkens weer werd in de programmas de lof van Middachten luid bezongen: "Middachten ligt ons het naast aan het hart" (1874) "Dat schone landgoed met zijn vriendelijke heuvelen, statige bossen, heerlijke wandelingen en geschikte preekplaatsen" (1894). "Middachten, geen naam is inniger aan ons Zendingsfeest verbonden" (1925). "Middachten, dat woord heeft voor ons een tooverklank" (1928) Veel dank was daarom dan ook verschuldigd aan de familie Bentinck die gastvrij hun gronden openstelde voor het zendingsfeest. Dat waren aanvankelijk Karel A.T. Graaf Bentinck (1792-1864) en zijn echtgenote Caroline M.E.CH.C.L. Gräfin zu Waldeck und Pyrmont (1826-1899), een nicht van onze Koningin-Moeder Emma. "Hoewel van Vorstelijke bloede was zij in haar omgang zeer gemeenzaam en vriendelijk en ons Zendingsfeest heeft veel aan haar te danken gehad", aldus het comité. Haar zoon, Wilhelm C.Ph.O. Graf von Bentinck und Waldeck-Limpurg (1848-1912) en zijn echtgenote Maria C. barones van Heekeren van Wassenaar (1877-1912) zetten de traditie voort. Verschillende keren sprak Graaf Bentinck het welkomstwoord uit, of ging hij voor in het slotgebed. Ook hun zoon, William F. Ch. H. Graaf van Aldenburg Bentinck (1880-1958) bood vanaf de twintiger jaren de zo dankbaar aanvaarde en genoten gastvrijheid in de prachtige bossen van Middachten. Aan de vooravond van het Zendingsfeest werd een bidstond georganiseerd; vaak gingen daar naburige predikanten voor, zoals J.D. van Arkel van Ellecom, J. Gouveneur van Rozendaal, J.H. Buinink van Rheden en M. Muller van Dieren. Muziek en zang hadden een groot aandeel in de feestvreugde . In 1891 verscheen de Bond van Christelijke Zangverenigingen met een koor van meer dan duizend zangers. Het aantal bezoekers was niet gering. In 1874 was dit tot bijna 10.000 gestegen en in de loop der jaren bleef die sterkte vrijwel constant. We volgen George verder in zijn verhaal: De aangewezen weg om bij het Zendingsfeest te komen was het spoor. Om de talrijke bezoekers te gerieven had men aan de spoorbaan deze perrons gemaakt. Hier stopten de extra treinen. Na een wandeling van ongeveer 10 minuten door het prachtige bos kwam men op het feest. Men kon op dezelfde wijze vertrekken. Voor die gelegenheid was het landgoed extra opgepoetst en het bos leek wel een groot park. De kasteelheer was een groot voorstander van het feest. Hij gaf niet alleen zijn toestemming, maar steunde het feest met een flinke duit. Bovendien stelde hij de bezoekers in de gelegenheid zijn prachtige kasteeltuin te bewonderen. Het feestterrein was gelegen tussen de Kruisboom, de laan tegenover de oprijlaan naar het kasteel en en de Borgkeppeler Allee bij de Tol van Ellecom. De hoofdingang was aan de Schotweg, met plaatsen in het bos die nu nog bij ons bekend staan als no.1, no.2 en no.3. Men kon alleen binnenkomen door aankoop van een feestprogramma à 30 cent met achterin de te zingen feestliederen. Deze programmas waren te voren op 18 plaatsen in den lande te koop. In Arnhem bij boekhandel Breyer, in Velp bij boekhandel van Hengel, in De Steeg bij de weduwe de Roos (logementshouder) en in Dieren bij boekhandel ter Haar. Aan de Schotweg, de Schaapsdrift tegenover de boerderij de Wolfskuil, stonden tenten voor de bezoekers en een hulppost van het Rode Kruis. In één van die tenten werden de organisatoren en sprekers een etentje aangeboden door de kasteelheer. Het werd verzorgd door het personeel van het kasteel en er in wagens naar toe gebracht. De graaf met zijn gezin nam ook deel aan die maaltijd en het zal er best geen droge boel geweest zijn. De dag van het Zendingsfeest werd er in het dorp niet gewerkt en ik herinner mij nog goed, dat ik met mijn ouders en familie naar het feest ging. In het laagste gedeelte van de kuil ( de Vossenkuil en de Wolfskuil) stond het spreekgestoelte en tegen de heuvels stonden blonde Friezen in hun fraaie klederdracht. Lieden uit Spakenburg, Urk en Volendam, niet minder mooi gekleed.. Bezoekers uit Drente en de Achterhoek in hun sobere kleding. Mensen met hoge hoeden op, stedelingen en buitenlui, één kleurig schouwspel, waar je als kind niet op uitgekeken raakte. En om het nog interessanter te maken liep er hier en daar een neger tussen door, waar je je ogen op uit keek. Want zoveel begreep ik er wel van: Op dit feest ging het om die zwarten. Dat waren de heidenen, dat wist ik zeker. Wij hadden op school een negertje staan. Die knikte heel vriendelijk als je er een centje in deed. Het centje was voor de zending. Alles wat zwart was waren heidenen. Die moesten bekeerd worden. Daarom had God ze zwart gemaakt, dan kon je ze goed zien. Ik zelf was geen heiden. Ik was blank en ik ging naar de christelijke school. Dat negertje kon zo dankbaar knikken als je er een cent in deed. Nu krijgen ze daar miljoenen guldens van onze zuur verdiende belastingcenten en ze blikken nog blozen er om. Het is nooit genoeg, steeds meer. Al die duizenden gelovigen hebben in dat prachtige Middachter bos gezamenlijk gezongen. Een lied, dat in de verre omtrek was te horen: De bergen zullen vrede dragen, de heuvels heilig recht! Daar zat je dan als kind tussen die heuvels waarvan de mensen zongen. Geen wonder, dat zoiets een geweldige indruk maakte. Je dacht als een kind, je overlegde als een kind. Alles was zo simpel. Wat voor mensen die heidenen waren, daar dacht ik niet over na, evenmin waar ze woonden. Dit feest moest slagen! Er reden immers extra treinen voor. Mijn broer, die wat ouder was, dacht er een tikkeltje verder over na. Die dacht, dat die heidenen op de hei woonden. Uit alle delen van het land waren ze gekomen naar dit Zendingsfeest. Van heel ver weg gaven ze centen voor de collecte. Dat bracht me eventjes wat op! Aan het einde van het feest gingen alle deelnemers naar de slotbijeenkomst op de spreekplaats no.1. Daar kon men luisteren naar de slotwoorden, gesproken door de grijze Ellecomse predikant. Aan het slot zong de grote massa gelovigen een lied, begeleid door het Ellecomse Fanfare Corps, dat wederom in de verre omtrek te horen was. Een lied, dat daar wel nooit meer zal klinken: Alle heidenen door Uw handen, voortgebracht uit alle landen, zullen tot u komen Heer! En lied, zo spontaan door duizenden gezongen. Om nooit te vergeten. Ik ging met mijn ouders naar huis en was er vast van overtuigd, dat de boel voor elkaar was. Misschien nog een paar jaar, maar dan was de boel bekeken. Dan zouden alle zwarten, de heidenen hier in het bos bij elkaar zijn. God had ze zwart getekend, je kon ze dus gemakkelijk vinden. Het bos zou dan zwart zien van de zwarte heidenen. Ik was gelukkig niet zwart, dus God zij dank geen heiden en voorbestemd voor de hemel. Heerlijk, zo als een kind te kunnen denken Tengevolge van de tweede wereldoorlog zijn de Zendingsfeesten abrupt geëindigd. Wanneer je nu, in 2006 door het Middachter bos loopt, is het haast niet voor te stellen dat vóór ons duizenden mensen daar rondliepen om met elkaar in geestelijke verbondenheid het Zendingsfeest te beleven. Hans Rijnbende Bronnen: Ds.I.H. Enklaar, rector van de Zendings Hogeschool te Oegstgeest, over de Chr.Nationale Zendingsfeesten. ( Archief Zendings Hogeschool) George de Bruins "Mensen om nooit te vergeten", Hans Rijnbende Rhedensche Courant 1937 Tekeningen: George de Bruin |